Revue gehouden bij gelegenheid van de 45 jarige
echtvereeniging van het echtpaar van Hees- Kuijs op 2 Februari 1927
1.
Van Hees dat is een goede vent. Hoezee
Bij alle menschen goed bekend. Hoezee
Bij Tonia wel saperdekriek
Wie kent er daar van Heesje niet.
Refrein
Hoezee. Hoezee. Hoezee.
Hoezee. Hoezee. Hoezee.
2.
In '82 een jonge man. Hoezee
Trok hij de stoute schoenen an. Hoezee
Nam tot zijn vrouw toen Sjaantje Kuijs
En stapte daarmee nar het stadhuis.
Refrein
3.
Zij bleven toen niet lang alleen. Hoezee
De ooievaar met zijn lange been. Hoezee
Bracht hen een liefste Anneke.
Toen was het een driespanneke.
Refrein
4.
Maar bij Anneke bleef het niet alleen. Hoezee
En het eindigde toen bij onze Leen. Hoezee
Daar tusschen waren er ook nog vijf.
En toen kreeg de ouwe pijn in zijn lijf.
Refrein
5.
De bruidegom werkte altijd graag. Hoezee
En had ook graag een volle maag. Hoezee
Is liefhebber van een stuk goeie mik.
Met zult er tusschen een vinger dik.
Refrein
6.
Is liefhebber van een goeie pan. Hoezee
En zegt dat zijn vrouw niet koken kan. Hoezee
Een biefstuk waar het bloed uitloopt.
Als iets wat hij ook heel graag koopt.
Refrein
7.
Hij lust ook heel graag ander vleesch. Hoezee
Te hard dat is niets voor van Heesch. Hoezee
De soep die moet zo dun niet zijn.
Want dat vindt hij ook niet fijn.
Refrein
8.
Hij is afkomstig uit de Graaf. Hoezee
De menschen daar zijn lang niet braaf. Hoezee
De Heer Pastoor nam zijn centen mee.
En de bruidegom kwam nummer 2.
Refrein
9.
Eens had hij een groot ongemak. Hoezee
Iets waar men niet graag over sprak. Hoezee
Toen ging hij naar het gasthuis heen.
En was toen weer heel vlug ter been.
Refrein
10.
Hij had het daar best naar zijn zin. Hoezee
En toen hij weg moest kwaad als een spin. Hoezee
Het was daar best van eten en zoo.
En 's middags een grote pudding cadeau.
Reffrein
11.
Eens is hij heel ver heen gegaan. Hoezee
Hij kwam toen ver in Duitschland aan. Hoezee
Hij beet een mof zijn voorgevel af.
En ging toen loopen op een draf.
Refrein
12.
Hij ving toen de terugtocht aan. Hoezee
Liep de zolen onder zijn schoenen vandaan. Hoezee
De schoenen hingen op zijn rug.
En kwam 's nachts op zijn sokken terug.
Refrein
13.
Onlangs was hij van binnen nat. Hoezee
Hij had van het goeie te veel gehad. Hoezee
Had helemaal geen kwaad gedaan.
Maar werd toch verzocht om mee te gaan.
Refrein
14.
Zij kuierden toen met zijn twee. Hoezee
Maar het einde viel hem toch niet mee. Hoezee
De smeris pikte hem aan de haak.
Al had hij geen kabaal gemaakt.
Refrein
15.
Hij noemde zich Graaf van Sieberwiet. Hoezee
Maar de politieagent geloofde hem niet. Hoezee
En 's morgens noemde hij zijn goeie naam.
En kon toen naar zijn vrouwtje gaan.
Refrein
16.
Hij moest toen boete betalen gaan. Hoezee
En werd geholpen door zijn dochter Sjaan. Hoezee
En al heet hij ook Graaf van Sieberwiet.
De laatste 2 kwartjes betaalde hij niet.
Refrein
17.
De bruigom kan het er wel mee doen. Hoezee
En wat wij zeiden deden wij met fatsoen. Hoezee
Wij hopen dat het hem goed moge gaan.
Op het verdere van zijn levensbaan.
Refrein
18.
De beurt is nu aan onze bruid. Hoezee
Zij denkt ik wil er wel tusschenuit. Hoezee
Maar wat wij gaan zeggen is niets dan lof.
Dat is voor haar een reuzebof.
Refrein
19.
Zij heeft altijd heel hard gesjouw. Hoezee
En altijd op hierboven vertrouwd. Hoezee
Zij werkte van 's morgens tot 's avonds laat.
En was de netste uit de straat.
Refrein
20.
Zij werkte vroeger ook buiten de deur. Hoezee
En stond bij vrouw Polling goed in de geur. Hoezee
Zij kwam ook bij Frits Horreman.
En praat daar soms nog heel lang van.
Refrein
21.
Zij had ook eens een goeden dag. Hoezee
Toen een goud hangertje voor haar voeten lag. Hoezee
Zij bukte zich en raapte het op.
Verkocht het bij van Grinsven voor een paar pop.
Refrein
22.
De politie kwam er bij te pas. Hoezee
Waar dat hangertje gebleven was. Hoezee
Men vroeg haar wat ze had gedaan.
Zij kon van de zenuwen haast niet meer staan.
Refrein
23.
Zij kreeg een hele zedepreek. Hoezee
En raakte nog veel meer van streek. Hoezee
Zij beloofde dat ze het niet meer zou doen.
En gaf de inspecteur een zoen.
Refrein
24.
Zij heeft eens feit aan haar vinger gehad. Hoezee
Maar dat is nog lang geen grap. Hoezee
Zij trok daar rare gezichten van.
Maar de vinger zit er nou nog an.
Refrein
25.
Vroeger lag zij veel met roos te bed. Hoezee
En dat is nou bepaald geen pret. Hoezee
Om daar voorgoed vanaf te zijn.
Kocht zij twee duiven groot en klein.
Refrein
26.
De duiven zijn toen dood gegaan. Hoezee
En daarmee was de roos van de baan. Hoezee
Twee tortelduiven in het graf.
En het bruidje van haar ziekte af.
Refrein
27.
Een goede kennis van de bruid. Hoezee
Vrouw Moeskops kneep er tusschen uit. Hoezee
In elken brief moest bij Kris en Kras.
Het bericht dat zij gestorven was.
Refrein
28.
Zij is een liefhebster van de snuff. Hoezee
Dat doet zij maar uit louter bluf. Hoezee
De snuifdoos neemt zij overal mee.
Zelfs als zij gaat naar de W.C.
Refrein
29.
Zij is dol op kinderen groot en klein. Hoezee
Vooral als zij al zindelijk zijn. Hoezee
Maar als er een moet op de poo.
Dan gunt zij dat een ander cadeau.
Refrein
30.
Zij praat graag over alles mee. Hoezee
Haar mondje roert zij nog voor twee. Hoezee
Leen is daar niet mee in haar schik.
En denkt soms val toch in de mik.
Refrein
31.
Zij heeft ook een bijzondere deugd. Hoezee
Het sparen is haar grootste deugd. Hoezee
Toen zij onlangs een paar centen had.
Toen ging zij welgemoed op stap.
Refrein
32.
Zij is stiekum op stap gegaan. Hoezee
En belde bij de Kruiskerk aan. Hoezee
Zij bestelde een mis voor 's morgens vroeg.
Voor twee gulden vijftig, dat was genoeg.
Refrein
33.
Wij hebben Uw geheugen opgefrischt. Hoezee
En deden dat soms lang niet fiks. Hoezee
Wij hopen dat het U goed moge gaan.
En wij over 5 jaar weer voor u staan.
Refrein
34.
Met het rijmen is het nu gedaan. Hoezee
Wij hebben pijn in de rug van al het staan. Hoezee
En dorstig zijn wij al s een paard.
En hopen dat er een borrel is bewaard.
Refrein
35.
Wij hebben nog een wensch te doen. Hoezee
In alle bescheidenheid en fatsoen. Hoezee
Blijf opgeruimd en blij van zin.
En schenk de glazen nog eens in.
Refrein
|