Oorlogsstorm

Start Omhoog

Herinneringen uit den oorlogsstorm.

Joh. Van Rooij,   Schijndel.

 

Voorspel.

Op het einde van de maand Augustus toen Patton’s tankleger in een diepe wig doorstiet in midden Frankrijk, kon men hier aan de Duitsche bezetting al goed merken dat hun spel nu voor hun helemaal verkeken was, en dat de genadeslag nu in’t zicht was.

Daar ik het laatste jaar van de bezetting als nachtportier dienst deed, en nog al eens in aanraking kwam met onze beschermers en hun handlangers, heb ik nu daar juist niet de mooiste herinneringen van bewaard. Wel van verschillende menschen waarmee ik in aanraking kwam, hetzij over onderduikers of andere zaken. Ik denk hierbij aan de “Kin” z.g. waarvan ik de twijfelachtige eer genoot, een paar dagen voor zijn plotseling overlijden 2 maal aan de poort te mogen aanschouwen. Maar de vogels waren gevlogen dank zij de heer Dielessen. Wat papieren met een Adelaar betrof het volgende staaltje. Het gebeurde omstreeks bovengenoemde dagen dat wij in Erp menschen in de ontginning hadden werken, en door een misverstand waren deze personen vergeten te halen. Het was intusschen reeds ’s avonds 11.30 geworden, en zij zaten nog steeds in Erp, dus lang na de avondklok en dat er auto’s op de weg mochten zijn. Ik stelde mij met Piet Kappen in verbinding, en hij stemde direct toe om mij behulpzaam te zijn hen te gaan halen mits ik onderweg het woord maar deed, want hij had geen enkel ausweis.

De groote bestelwagen werd klaargemaakt en wij tuften aan.

Vlak voor Veghel gezwaai met rood licht op de weg, en wij kwamen aan de eerst post. Ik er uit, groete beleefd en zij met een snauw “ausweis” !

Ik stelde mij voor als de “BetriebsFuehrer” van de strumffe fabriek uit Schijndel en gaf hem een stelletje papieren met veel adelaars erop, waar n.b. nog valse bij waren ook, plus mijn bewijs van recht tot visitatie toe deed ik daarbij.

Wij mochten doorrijden, werden nog door 2 posten onderweg aangehouden, maar kwamen behouden in Erp aan. Maar toen terug met 13 menschen die helemaal geen papieren bezaten. Wij vertrokken op hoop van zegen.

De eerste post was in’t zicht aan ’t roode lichtje, dat zwaaide over de weg, en ik had mijn verhaaltje klaar. Ik maakte de Leutnant wijs, dat die menschen op de fabriek moesten werken want morgenvroeg moest er een groote partij weermachtssokken geleverd worden waar niet op gerekend was.

Wij mochten starten en kwamen behouden om 2 uur in Schijndel aan.

Toch ging het niet altijd even mooi. In den nacht van 3 op 4 September kwamen de eerste Duitschers in de fabriek. Het was een troep van ruim 200 manschappen, zenuwachtig en gejaagd. De meeste tusschen de 40 en 50 jaar. Dit bezoek werd mij aangekondigd door een telefoontje, of ik voor de heren 2 wagens wilde klaarmaken, met chauffeurs. Dat was omstreeks 2.30 uur ’s nachts.

Op advies van mijnheer Harry heb ik mij met P.Kappen in verbinding gesteld, waarna hij zich direct met mij naar het portiershuis begaf, en wij in het geheim onze chauffeurs waarschuwden die zich naar de villa begaven. Omstreeks 3 uur kwamen de Duitschers aan, gepakt en gezakt. Onder hen bevonden zich eenige officieren en de nodige feldwebels. Zij moesten eines raum haben, en een kar stroo voor legering, de wagens moesten om 6 uur startkaar zijn. Het stroo werd geribt carton, waarop zij zich op de cemente vloer van de Expeditie neervlijden,met groot protest van hun kant.

Daar zij van de auto’s op den duur niet veel merkten werd de feldwebel die geregeld het woord voerde kwaad, en begong te bulderen en toen dat niet helpen wou riep hij er eentje binnen die ons bedreigde, niet goedschiks, dan maar op de Duitsche manier.

Toen wij hem noch op een verkeerde boodschap uitstuurde, liep de maat bij hem over, en zou van de wapens gebruik worden gemaakt.

Ik belde Mijnh. Harry op, die direct bij mij kwam, en waarvan ik veel steun mocht ontvangen. Hij wist hen wonderlijk tot bedaren te brengen. Inmiddels was het 6 uur geworden, en noch steeds was er niets aan de wagens gedaan. Intusschen was L.Kuipers gekomen, en toen hij al die herrie aanhoorde presenteerde hij zich vrijwillig, om ons uit de moeilijkheid te redden. Hij en P.Kappen maakte de wagens klaar, maar zoo onbeholpen dat het 9 uur werd eer zij weg konden rijden. En toen was Kappen spoorloos verdwenen. Een soldaat nam toen maar zijn plaats in. Maar met de Wight kwamen zij niet verder als Wijchen. De ketel was volgepropt met hout en zoo’n grote stukken dat het in de vergasser nooit aan kon zakken, en het brande zoo mooi onder uit.

De dagen daarop bleven zij steeds aan ’t trekken, en ’s nachts op het dak van de cantine, kon men in de wijde omtrek de ontploffingen zien en horen.

Van 8 op 9 Sept kwamen 2 dronken Duitschers ’s nachts op de fabriek, en vertelde mij dat de chef had gezegd dat ik hen snaps moest geven. Met mooi praten en ieder een paar sokken trokken de heren af.

In mijn dienst van Zaterdag die om 16.30 uur aanving kwamen dezelfde heren terug, samen in de auto van Dr Verstraaten. Zij moesten verduisteringspapier hebben. Na hen daaraan te hebben geholpen wilde de wagen niet meer starten, en alle pogingen bleven vruchteloos. De heren eischten een andere wagen, maar met mooi praten en een paar jongens die buiten speelden, werd hij toen naar Kemps geduwd. Vlug waarschuwde ik Kappen in die tusschen tijd die toen gauw van de blauwe Ford de stroomverdeeler defect maakte.

Toen zij terugkwamen wilde zij met geweld in de garage kijken of daar iets stond, maar met de Ford was toen niets meer aan te vangen zoo dat zij zich ten laatste met een bakfiets tevreden stelden.

10 September hebben Kappen, den Otter en ik zoek gebracht met het verbergen van auto’s, waarmee wij die Zondag gezellig doorbrachten. Maandag, Dinsdag en de verdere dagen gingen tamelijk rustig voorbij.

Het was in die week dat ik Dr Cals voor het laats sprak, ’s nachts boven op het dak van de cantine, waar wij de lichtflitsen konden zien in Belgie van het geschut.

Omstreeks die dagen kwam M.Claassen met zijn mannen mij gezelschap houden, waaraan ik prettige herinneringen heb. Vooral aan Sjaantje en de kinderjuffr van Mr Harry, zij konden lekkere koffie zetten. Ook denk ik nog aan Toontje de Kapper, die ons ’s morgens nog gauw even scheerde. Wij hadden ook een signaal, want Frau Lippold was haar soortgenooten ook behulpzaam. Kwamen er aan de poort, dan draaide ik op mijn toestel 20, dat was dan te horen in de hoofdpost van Claassen, maar spreken deed ik niet. Had het een paar maald gebeld, wisten zij dat er onraad was, en ik maakte de poort open, en vroeg wat de heren wenschten.

Intusschen was alles verspreid over de diversen afdeelingen, en er was dan maar weinig meer te zien.

En zoo verliep deze week tegen alle verwachtingen in rustig.

Zondag 17 Sept een echte nazomersche dag welke niet licht zal worden vegeten.

’s Morgens omstreeks 10 uur daverde groote troepen vliegtuigen over. Om 11 uur vlogen zij nog steeds, en hevige bombardementen volgden. Het was helder weer, en de lucht kleurde grijs van het stof, en op het dak van de cantine zag men overal groote zuilen opstijgen.

Tegen 2 uur was ik juist tegenover het kasteel van Heeswijk, toen daar de eerste luchtlandingstroepen daalde. Het was een prachtig gezicht, alle kleuren zag men door elkaar.

Juist tegenover de laan stonden 2 vrachtwagens, waaruit twee chauffeurs stapte, met ieder een koffer in de hand. Zij gingen aan boord van twee schepen die daar lagen, en kwamen er uit gekleed in het uniform van het Nederlandsche leger. De twee schepen gingen dwars liggen in het kanaal en de beide oevers waren verbonden.

Mevr van Dijk had met hen gesproken en zij vertelde dat het Amerikanen waren. Ik als de weerlicht naar huis, om het blijde nieuws te vertellen. Waarna ik tegen mijn vrouw zei, Ik ga eens even op het dak van de fabriek kijken, dan heb ik een mooi uitzicht. Daar aangekomen was de Zondagwacht vertrokken, en zag ik mij genoodzaakt in dienst te gaan.

De nacht was rustig op enkele uitzonderingen na, de eerste troepen trokken binnen.

’s Morgens werd het steeds drukker, en er werd ook volop geschut en panservuisten aangevoerd. Ik ben toen ’s middags afgelost na 25 uur dienst om 15.30 uur door een ondergrondsche. Ben ’s avonds om 20 uur weer in dienst gekomen tot den andere dag 9.30 uur.

Deze nacht kwamen de mitrailleurs en geweren los, met af en toe een kanonschot. Van nu af hadden wij onze beschermers dag en nacht bij ons. De pakkerij werd gebruikt als slaapgelegenheid voor de troepen die rust hadden, en als die ’s nachts kwamen hadden wij er weinig last mee, daar zij flink moe waren. De lastigste werden zoet gehouden met een paar sokken, ofschoon de meeste deze graag zelf namen. Zoo hadden zij de schuifdeur tusschen pakkerij en Deelen met kozijn en al er uit gebroken, welke wij er weer met behulp van een hamer en enkele 5 duimers weer in timmerden.

Dinsdag 19 Sept om 15.30 uur weer in dienst gegaan tot Woensdagmorgen 9 uur. Deze nacht was Frau Lippold den gehelen nacht op geweest, en lichte de Duitschers in waar zij moesten zijn, en stuurde alles hierheen. De Kleine man op de cemente vloer, de hoge pieten bij mij in het portiershuis.

De hooge oome die het stel commandeerde was kanonzat, en Jo Peijnenburg en ik hebben hem toen nog onder de Keukenwagen uit moeten halen, die omgeslagen was. Hij nam een flesch snaps mee en een kistje Willem 2. Hij was zoo zat, dat toen hij in het portiershuis was, en precenteerde ik uit het kistje een hele rij nam in plaats van een sigaar, en hij er niets van merkte. Naderhand toen hij zijn roes uit had, hij had wel 20 koppen koffie op, keek hij erg verwonderd dat er maar 1 laagje sigaren in het kistje meer over was, maar Jo Peijnenburg weet daar ook wel iets meer van, want hij rookte den hele nacht sigaren.

Morgen komen de tanks en dan gaat het los. Maar van Duitsche tanks was niet veel te zien, alleen werd er meer lawaai gemaakt.

Woensdag 20 Sept ’s middags 14 uur in dienst tot 18 uur en van 20 uur tot Donderdagmorgen 21 Sept 8 uur.

Het blijft een komen en gaan van troepen, en de kelder in de Maartenbouw begint zich steeds meer te bevolken met vluchtelingen.

Smid Peijnenburg en zijn vrouw hebben de zorg daarvoor op zich genomen, wat hen handen vol werk geeft. Deze middag van 14 uur tot 20 uur dienst gedaan. Daar ik de laatste tijd zoo goed als geen rust had gehad, moest ik van Mijnh. Harry deze nacht maar eens goed uitslapen, waarmee ik direct instemde, en mijn vrouw zeer blij was.

Maar Vrijdagmorgen 22 Sept had ik daar reuze spijt van, dat ik deze nacht niet op de fabriek was geweest, want de Amerikanen waren ’s nachts doorgebroken, en dat had ik toch wel graag mee willen maken. ’s Morgens om 6 uur wist ik het, en om 7 uur weer gauw naar de fabriek. Daar was alles in feeststemming. Sigaretten, thee, rijst met rozijnen, pudding enz. Alles werd ons door de goede zorgen van Sjaantje voorgezet.

Gelukkig had ik in het portiershuis een amerikaan bij mij, die Duitsch sprak, en konden elkaar zo goed verstaan. De telefoon stond niet stil. Van alle kanten kwamen er telefoontjes. Hoe is het bij jullie? Is Schijndel bevrijd enz tot uit Amsterdam toe.

Op een gegeven moment werd het portiershuis vanuit Huis en erf beschoten en een gevecht nam plaats. Wij zochten direct dekking op de vloer.

Met Simon van Oord die juist bij mij binnenliep lagen wij samen met de telefoon op de grond, en hij gaf een verslag door naar de Kelder aan Mr Claassen dat Han Hollander hem niet had kunnen verbeteren. Hij was zoo vol vuur dat Claassen hem moest zeggen er mee op te houden, omdat het veel te gevaarlijk was.

Omstreeks 10 uur kreeg ik van den Boschweg een telefoontje dat daar 3 auto’s passeerde met 7 officieren. Ik gaf het direct door aan zoo’n stormwagentje dat bij het portiershuis stond, en bij het postkantoor werden zij opgevangen. Eenige schoten in de lucht, zij gaven meer gas, en de wagens waren een zeef en de Duitschers er geweest. Tot beloning kreeg ik een fijn kistje sigaren Karel 1 van 50 stuks, en een prachtige FN revolver.

Den gehele morgen werd er in de omgeving flink geschoten, en tegen 11 uur kwamen de eerste krijgsgevangenen. De eerste gevangene was een man van 46 jaar en kwam van Hannover, en hij huilde haast van de schrik omdat hij bang was doodgeschoten te worden. Het leukste van het geval was, dat de eerste krijgsgevangene die hierbinnen kwam gemaakt door een Hollander, die was ingedeeld bij de Amerikanen. Daar er niemand was sloot ik hem op in de WC totdat den Dielessen hem kwam halen.

Na hem volgden er vele, en zij werden grondig onderzocht, en van hun hebben en houden ontdaan. Ik had in lange tijd niet zoo veel guldens en rijksdaalders meer gezien als er toen uit hun zakken voor den dag kwam.

In den loop van den dag steeg het aantal gevangenen tot ongeveer 350 man. De soldaten werden gelegerd waar nu de fietsenrekken staan de de Hauptmanner en Leutnants werden met een hoeratje op de trappen van het filterhuis geplaatst, waar zij grimmig zaten te kijken.

’s Middags kwam mijn vrouw met de kinderen op de fabriek kijken, en vol trots toonde ik haar mijn Phileta en andere schatten die ik van de Amerikanen had ontvangen. De radio speelde lustig en zij wou hem al mee naar huis nemen, maar liet hem toen toch maar staan, omdat ik zei “Ik breng hem zelf wel mee . Maar dat kwam anders uit, wij allen kregen den deksel op ons neus.

Om 6 uur kon men goed merken dat er iets bijzonders gaande was, en even later kwam het bericht dat alles naar Veghel moest. Wat nu gedaan. Ik belde Mr Harry op en vroeg wat ik moest doen. Hij zeide mij aan op een vertrouwde plaats onder te duiken, of anders mee naar Veghel te gaan. De mannen van de verzetsbeweging rade mij aan mee naar Veghel te gaan, waarna ik mijn vrouw opbelde, en zij dat ook beter vond.

Bij de oude school op de Wijbosse weg keerde ik echter terug daar ik gauw even thuis gedag wilde zeggen. Ik ging langs het portiershuis en legde mijn revolver in mijn bureau, omdat ik daar niet mee door het dorp wilde gaan. Al mijn spullen moest ik in het portiershuis achterlaten, omdat ik daarmee niet over straat durfde te gaan.

Thuis gekomen was mijn zin over om weg te gaan, omdat ik niet wist wat er deze nacht gebeuren kon. Mej. Oerlemans die juist bij mijn vrouw was toen ik thuis kwam, zei tot mij slaap vannacht bij ons, dan kan je morgen verder zien, waartoe ik toen besloot, en duikte daar onder.’s Nachts om 12 uur geklop op de deur. Ope maken! En daar stonden 7 soldaten in de deur. Toen ik hen hoorde vluchte ik de WC op, en dacht Frau Lippold heeft gepraat.

Maar zij vroegen om slaapgelegenheid, en toen zij hoorden dat er 9 kinderen waren trokken zij af, en ik van de WC.

Dien nacht trok de hele bende weer binnen en het spel begon weer.

Zaterdagmorgen 9 uur ging ik naar de fabriek, er waren daar verschillende moffen die dronken waren. Iedere keer als iemand poort inging riep het jongetje van Lippold iets naar achter, en dan kwam Frau Lippold gauw voor de raam kijken. Dat was iets wat ik in het geheel niet vertrouwde. Intusschen was H.Persons bij mij gekomen en onder het genot van ieder een flesch wijn, die de moffen daar hadden staan in het portiershuis besloot hij naar Veghel te gaan, en ik ging naar de Villa.

Als je bij vertrouwde menschen kunt onderduiken, duikt onder zei Mr Harry tot mij, en laat je een paar dagen niet zien, want het wordt en en was een boeltje, en anders ziet achter de andere kant van het front te komen. Ik besloot tot het eerste en dook ’s avonds bij Oerlemans weer onder. Zondag 24 Sept bleef ik den gehelen dag thuis, en liet mij nergens zien. Alles stond vol afweergeschut en er werd druk gebruik van gemaakt. ’s Middags om 4 uur kregen wij in ’t schuurtje de eerste stukken, en besloot toen maar in mijn eigen huis te blijven slapen. Ik voelde mij toen al tamelijk veilig. Maandag heb ik overdag dienst gedaan van 9 uur tot ongeveer ’s middags 4 uur.

Toen ik thuis kwam vlogen er juist weer zwevers over. Ons Zus stond achter in de tuin op een bank naar de vliegtuigen te zwaaien, maar op de molen bij Nefkens zaten moffen en die schoten toen op haar. Op handen en voeten kroop zij door de tabaksplanten in huis, en had toch nog lol.

Ik ben toen die dag niet meer weg geweest, en sliep ’s nachts thuis. ’s Avonds om 8 uur gierde de jagers nog gauw een paar keer door de lucht het knalde toen van alle kanten.

Dinsdag 26 Sept om 9 uur op de fabriek. Daar heb ik de grootste dievenbende zien werken. Autos vol kousen en sokken werden opgeladen. Toen de smid voor vrouwen en kinderen in de kelder wat vroeg werd dit botweg geweigerd. Inmiddels was Mr Harry ook op de fabriek gekomen, en stond de heren te woord. Ik hoorde Herr Leutnant nog zeggen “Ich bin eine anstandige mensch” maar een rovershoofdman kon het hem niet verbeteren. Als hij er door de deur van de vormerij 3 uitstuurde, joeg hij er door de koelkamers zes naar binnen. Actetassen en rugzakken werden volgeladen. Het Hernvolk was in zijn element. Intusschen was het half twee geworden, Ik had nog een goed pakje voor mij zelf klaar mogen maken van Mr Harry, en ben toen naar huis gegaan. Toen ik thuis kwam was het schieten zoo hevig dat ik mijn vrouw en kinderen bij J. v/d Westerlaken in de kelder ben gaan brengen. Omstreeks 7 uur zag ik de fabriek in brand staan. De fabriek die wij allen zo gaarne hadden behouden. Vele van ons had zij al jaren de gelegenheid geboden ieder in zijn werk, in hun levensonderhoud te voorzien.

’s Nachts sliep ik alleen in mijn huis. Woensdag 27 Sept een dag vol emotie. Steeds donderde het geschut. Bij ons achter stonden 3 kanonnen opgesteld, ook moet er een bezijde de molen van Nefkens hebben gestaan.

Wij aten die middag vroeg, omdat er zoo geschoten werd. Toen wij aan den afwasch waren ging het zoo hard dat ik vrouw en kinderen niet in huis durfde te houden, en zij gingen bij v/d Westerlaken in de kelder.

Ik droogde de vaat verder af. Alles was klaar op potten en pannen na toen de granaten zoo hard over floten dat ook ik er heen vluchte. Een halve minuut later sloegen 3 granaten in. Een bij het raam van de vensterbank bij den aanrecht, een bezijden het schuurtje, en een voor aant huis.

Ik was bijtijds weg, want de keuken was een ruine. In de muur schuin tegenover het raam waren 24 gaten. Mijn varken was dood, een paar konijnen een gebroken poot enz. Wat een geluk hadden wij. 10 Minuten later aan tafel gegaan, niemand van ons had het er levend van afgebracht.

Vrouw en kinderen zijn van toen af niet meer in huis geweest. Mijn buurman v/d Berg die juist aan zijn deur stond toen ik de straat overliep vluchte toen ook naar binnen, maar werd door een scherf in de rug getroffen. Ik verleende hem de eerste hulp. Tegen 8 uur maakte de jagers nog een rondje over Schijndel en namen de moffen onder vuur.

’s Nachts om 2 uur vluchte ikzelf uit mijn huis, en toen begon mijn kelderleven.

 

Kelderleven.

In de nacht van Woensdag 27 Sept Donderdag 28 Sept vluchte ik dan ook de kelder in. Jan v/d Westerlaken die ons 5 weken gastvrijheid verleende. Bange dagen hebben wij daar doorgebracht, en toch hadden wij af en toe pret. Ons gezelschap was groot. v/d Westerlaken met 6 personen, Jo v/d Plas met vrouw en kind, Leo van Doremalen met vrouw en 2 kinderen, Hanneske v/d Dungen met vrouw en 4 kinderen. Adr. V/d Ven – Opoe en Opa v/d Westerlaken, Hendr. Vervoort met vrouw en 2 kinderen en ikzelf met vrouw en 4 kinderen plus Scheutjes uit St Oedenrode, in totaal dus 33 man.

Het was overbevolkt, en om ieder een slaapplaats te geven was een waar probleem.

Daar mij door drukke bezigheden overdag en allen meer of min zenuwachtig waren herinner ik mij nog maar alleen de brand van ons raadhuis, dat was omstreeks 6 uur ’s avonds.

Allen bleven ook overdag bij v/d Westerlaken gehuisvest, en den anderen dag werd er beraadslaagt om een zoo goed mogelijke regeling te treffen.

De jongelui werden aan het graven gezet en er werd een groote schuilkelder gemaakt.

Materiaal had v/d Westerlaken voldoende. Hij werd met ijzeren platen afgedekt, daarop een mtr zand en 6 a 8 personen vonden daar onderdak. Hij was ook practies ingericht o.a. electrisch licht, er kon tabak worden gesneden ,wat voor vele schijndelaren een uitkomst was, en de klap op de vuurpijl was een radio die Jo v/d Plas beschikbaar stelde, waar ’s avonds druk naar geluisterd werd, tot het licht uitging. Het was nu zoo ingedeelt, dat de groote jongens daar sliepen, vrouwen en kinderen in de kelder in huis, en die durf hadden boven in huis op de grond, tot zij wakker werden van de granaten en dan vlug de kelder in.

Ieder had zijn werk, en ik was aangewezen voor de voedselvoorziening. Eeten halen bij Geerkens, brood bij den bakker enz. ’s Morgens om 6 uur togen Jo v/d Plas-Leo van Doremalen en ik op pad de boeren af in het Eld om melk, en met mooi praten kregen wij dan een liter of 8 bij elkaar, deze werd dan thuis afgeroomd, en daar werd van gebutterd.

Op Zaterdag 30 Sept ging ik met de vrouw van v/d Plas op vleesch uit, want bij Kemps was een koe kapot geschoten. Toen wij daar aankwamen was het vleesch door de moffen in beslag genomen en wij maar weer terug, toen men ons vertelde, op het klooster is vleesch te krijgen en wij er op af.

Daar hadden wij een bof en kregen ongeveer 60 pond vleesch. Toen wij langs de Spar kwamen, waren daar menschen bezig die op hun manier de boel aan het opruimen waren. Hetzelfde zagen we bij Speet.

In het huis van Munt lagen een stuk of 16 Duitschers met motoren, die probeerde eerst zoo wat met vrouwvolk aan te pappen, maar hadden weinig succes, en hadden daar niet veel last meer van.

De dagen gingen langzaam voorbij en onze keldergenoot Schutjes vertelde mij dat weer weg moest, maar het tegen niemand kon zeggen. Als ze mij misschen wil hen dan bedanken voor de gastvrijheid verzocht hij mij, wat ik dan ook heb gedaan.

Twee dagen later kwamen er twee Duitschers achter het huis, en vroegen of wij de eieren die zij bij zich hadden wilde klaarmaken. Het waren 2 jongens van 17 jaar en kwamen van het spoor af. Het waren valschermjagers, en vertelde dat zij 3 dagen rust hadden. Zij waren in Frankrijk ingezet en hier terecht gekomen, nu vochten zij mee langs de spoorbaan.

Hun 3 dagen waren om, maar aanstalten om te vertrekken maakte zij niet, waarop ik v/d Westelaken attent maakte, en die verzocht mij dat voor hem af te werken. Toen ik hun aan de tand voelde kwam de aap uit de mouw, en zij vroegen mij hen te helpen onderduiken. De Fuehrer zat hun tot hier, en zij wezen met hun hand aan de keel. Ik sprak er den Heer Dielessen en den Heer Jansen van de secretarie over aan, die daar mee accoord gingen, mits zij aan verschillende voorwaarden voldeden, en zij beloofde die na te komen. Van gemeentewegen werd er eten voor hen beschikbaar gesteld, hetwelk ik iederen dag kon komen afhalen. Zij hebben zich ook netjes gedragen en veroorzaakte ons geen last. Op den dag der bevrijding gaven zij zich rustig over.

Met de kleinere kinderen hadden wij dikwijls de grootste last. Wanneer het even stil was wilde zij dan graag even buiten zijn, en men had er moeite mee als er fluiters kwamen alles weer gauw in de kelder te krijgen.

Buiten het eten van Geerkens zorgde ieder op zijn beurt voor het noodige.

Jo Plas en onze Lamber zijn toen ook een keer naar Gemonde gegaan om boter. Op een plaats kregen wij hem voor fl 10,00 per pond, op een andere plaats omdat het zoo’n slechte tijd was, en het hier zoo verschrikkelijk was voor fl 16,- per pond.

Ook hadden wij een damwedstrijd georganiseerd, waarin het kampioenschap van de kelder werd verspeeld.

Ongeveer 10 of 11 October begon ik weer veel last van mijn maag te krijgen, en een paar keer kwam er bloed mee met den afgang. Het brood was vreselijk slecht, en het eten van de gaarkeuken kon ik slecht verdragen. Van de dagen van de week was je de tel kwijt, en men kwam zoo wel eens tot de ontdekking dat het Zondag was. Van ons hele groepje hebben wij gelukkig geen mensch verloren, of gewond.

Toen met dat ongeval van Rooijakkers, Toelen en Nic Kerkhof waar ik juist in de buurt van het kerkhof, en heb hen toen mee naar het Lidwina gebracht en daar mee geholpen, het zag er verschrikkelijk uit.

Op 13 October zijn wij met een ploegje menschen naar de fabriek gegaan, en daarna nog een keer. Omstreeks die tijd moesten bij ons uit de kelder J.Pas, L.van Rooij, A. v/d Ven en M. v/d Westerlaken van de Duitschers gaan werken aan de loopgraven. Die dag het was een Zondag bracht Mia Munt de hele boel op stelten. Het was omstreeks 10 uur toen zij met de boodschap kwam dat wij allen moesten ruimen. Dat bericht bracht heel wat teweeg. Verschillende gezinnen bij ons in de buurt trokken al weg. Ook wij pakten ook gauw enkele voornaamste spullen bijeen. De meeste vrouwen en kinderen schreiden, vooral omdat 4 van ons in de loopgraven werkte, en als zij ’s avonds thuiskwamen ons kwijt waren, en wij zelf niet wisten waar wij heen gingen.

Daar ik zelf ook erg zenuwachtig was sprak ik er Mijnh van Dijk, die ook bij ons op de weg zat over aan. Hij is toen naar de commandant op de villa gegaan en kreeg de boodschap mee, als er voor twaalf uur geen bericht kwam, mochten wij blijven.

Dat stelde ons al veel gerust.

In die week het was prachtig weer kwamen de moffen weer mannen en jongens oppikken om boomen om te hakken op de Steeg. Wij waren tabaksbladeren aan’t plukken en twee konden zij er nog grijpen. De rest vluchte weg op zolder tusschen het hooi. Willem Broeren die gauw Dorusse wilde gaan waarschuwen voor het gevaar liep ze achter het huis in de armen en was er zelf bij.

Woensdag 18 October werd er den gehelen dag hard geschoten. Als ik mij niet vergis was het dien dag dat ook H. v/d Eerde werd getroffen en gedood. Ik was daar juist in de buurt, en onze pastoor vroeg mij om het bij zijn dochter te gaan zeggen die tegenover ons woont. Het was geen prettig karwij.

Zaterdag 21 October werd den gehele dag hevig geschoten. Van Zaterdag op Zondag werd het steeds heviger. Het gefluit was niet uit de lucht, en niemand durfde haast meer buiten, het kraakte overal.

Waar ik zo af en toe eens ging kijken kon ik juist op de wasbleek zien. Men hoorde dan daar een korte knal en alles kleurde groen. Even later kwamen de machinegeweren los en wij dachten niet beter, eer het avond is zijn ze hier.

Van Zondag op Maandag was verschrikkelijk. Alle die in de schuilkelder een familielid hadden zitten dachten daar aan met groote angst.

Het dreunde en kraakte, en rond om ons heen voelde wij de granaten inslaan.

Ik ben toen naar buiten gegaan. Een dikke kruitdamp hing over alles heen, sterke zoeklichten schenen tegen het wolkendek, en daar tusschendoor gierde en knalde het dat horen en zien verging. Het was afschuwelijk.

Vlakbij de kelder was een granaat ingeslagen, en had hen zand op der hoofd en hals gestrooit. Onze Lamber en de anderen maakte het goed. Zij hadden vijf weesgegroetjes gebeden en waren in het geheel niet meer bang. Nu waren de andere ook weer gerust gesteld, en met af en toe wat bidden brachten wij de nacht door. Om 6 uur in de morgen kraakte het nog hard, en wij allen maakte gissingen zou zij er nu zijn of nog niet.

Om 8 uur waagde ik mij in de hoofdstraat en een prop schoot in mijn keel.

De Tommies waren er op de villa.

Met 3 Engelsche sigaretten kwam ik in de kelder terug die wij allen met een blij hart gezamenlijk oprookte.

 

Bevrijd.

23 October 1944 de dag der dagen, is ongetwijfeld door iedere Schijndelaar een zucht van verlossing geslaakt. Na weken van inspanning ontspande zich menig gemoed met een lach en een traan. Vlug werden de kinderen wat aangeschoten, het koffiedrinken schoot er op over, en met z’n allen togen wij naar den hoek bij smid van Thiel. Daar trokken langs ons heen het bekende Highland Division en de Desert Division. Wij dansten van vreugde. Lange rijen tanks, kanonnen en voertuigen reden ons voorbij, en aan het gejuich kwam geen eind. Na nog een paar rookertjes te hebben opgevangen zegde ik mijn familie gedag en ging naar de fabriek.  Het was omstreeks half tien. Mijnh. Harry was reeds op het terrein aanwezig en wenschte mij geluk met de bevrijding. Hij had hem duur gekocht en ik kon het niet over mijn kant verkrijgen ook hem geluk te wenschen. Smid Peijnenburg en Jo Peijnenburg waren er ook reeds en met z’n vieren gingen wij de gehele fabriek af, om alles in oogschouw te nemen, waarna wij een voorloopig program opmaakten. Intusschen kregen wij inkwartiering van het roode kruis die de kelder betrokken waar de Duitschers in hadden gezeten. Mijnh. Harry droeg mij op de grootste schuilkelders af te gaan om volk bijeen te krijgen, want Dinsdags wilde hij reeds met opruiming beginnen.

Wij spraken af ’s middags om 1 uur weer terug te komen om te zien wat er eerst gedaan moest worden. De loonstaat van die dagen zagen er als volgt uit.

Maandag 23/10-44 van 13 tot 17 uur.

5x Peijnenburg

M.van Kessel No 719

Door omstandigheden kon ik echter ’s middags niet terugkomen. Wij gingen de volgende dag verder.

Dinsdag 24/10-44

9 tot 12 uur en 13 tot 17 uur.

5x Peijnenburg

M.van Kessel 719

J.van Rooij alleen voormiddag.

Daar ik weer in mijn huis wilde gaan kwam ik ’s middags niet terug. Wij hadden nog een kamer die bewoonbaar was te maken, en ik ging aan de slag. Ik timmerde de drie ramen dicht, maakte er schilderijglas in en moest een gat in de schouw hakken daar anders de kachel niet gestookt kon worden. Vrouw en kinderen waren gelijk in het dorp kijken en ik was alleen, achter was alles open.

Daar het nogal warm was trok ik mijn jas uit, en hing haar aan de kapstok. Mijn polshorloge, knijpkat en mijn nachtlamp welke ik altijd in mijn nachtdienst gebruikte legde ik op de waschkast, en begon te hakken. Toen het avond werd wilde ik mijn knijpdinamo nemen, maar zag hem niet. Ik zocht mijn lamp ook weg, en mijn polshorloge dito, en ik dacht direct, dat is gestolen. Even later kwam ook mijn vrouw en vroeg, kom je eten. Ik nam mijn jas trok hem aan, en merkte direct op dat hij zoo licht was. Effin mijn portefeuille was weg met ong 400 gulden, persoonsbewijs, vulpen al mijn zakken waren leeg, alleen mijn rozekrans zat er nog in.

Ik gaf het den zelfde avond nog aan maar hoorde er nooit iets meer van.

Op Vrijdag 27/10-44 kwam ook de ploeg van Rijkers en begong met dakreparatie.

Dien dag werkte wij met 17 man. En op Maandag 30 October werkte er 39 man. Peijnenburg regelde het buiten en ik deed de controle en administratie. Het voornaamste was ruitenkappen en puinruimen.

Op Woensdag 25 Oct trokken wij weer in ons huis. Op de fabriek kwamen dagelijks meer menschen bij en het weer werd slechter. Er werd toen veel kou geleden, want overal had de wind vrij spel.

Op Vrijdag 3 November werd door Mijnh Wim de eerste gezamelijke bespreking gehouden met de menschen die toen zoowat mee opzichter speelde en aan Mr A de Hommel de gehele leiding toevertrouwd.

Op Maandag 6 November kwam mijn collega H Dorelijers weer in dienst en werd door Mr Kemps de controle van fabriek en terrein aan mij opgedragen welke ik vervulde tot er op iedere afdeeling een administrateur was aangesteld, en ik weer in portiersdienst overging.

Tot op heden 10-9-45 zijn nu in ons bedrijf werkzaam op kantoor 50 dames en heeren afdelingschefs, onderchefs en ploegbazen 40 meisjes 227 en mannen 444.

Zodat wij nu aan totaal zijn van 761 werknemers. Zoodoende kunnen we met den spreker van Herrijzend Nederland 2 terecht zeggen “Er zit schot in!”


Vorige