Herinneringen uit oorlogsdagen en bevrijding.
Joh.van Rooij,
Toon Bolsiusstraat 56, Schijndel.
Aan onze Jan
September 1945
Zondag 17 September 1944.
Die dag blijft ons in het geheugen. Het was een dag van
spanning en emotie. Men voelde het dien morgen als tastbaar; er zat iets in de
lucht. Het wemelde van engelsche jagers en bommenwerpers. Het kraakte dien
morgen aan alle kanten. En dan om plm 2 uur geroep en geraas, waarop iedereen
naar buiten holt. Zwarte zwermen komen uit het westen opdagen en allen roepen
Kijk! Kijk! Daar in de lucht. Tientallen kanjers van vliegtuigen, zware dakota's
en machtige bommenwerpers, honderden glanzende vliegtuigen in grote troepen
vliegen rustig, zwaar brommend laag over ons dorp. Kijkt! roept men tot elkaar;
zij hebben zweefvliegtuigen op sleeptouw.
De straten zijn vol met juichende en wuivende
menschen.
Hoerageroep klinkt er van alle kanten. Dit zal de zoo lang verwachte bevrijding
zijn. Steeds meer vliegtuigen komen opzetten. Opeens geroep en allen turen
sprakeloos in de lucht. Wat zich daar vertoonde vergeet men zijn leven lang
niet.
Honderden parachutes zag men opeens in de lucht; een
kleurschakering van wit, oranje, rood en blauw. Zij daalden bij het kasteel van
Heeswijk en op de Koevering. Op de Koevering verleende dr.Cals eerste hulp bij
twee beenbreuken. Velen snelden ook daarheen en wij rookten na lange tijd weer
onze eerste amerikaansche sigaretten, dronken thee en proefden chocola. Ook
parachutes waren er veel aanwezig. Met fietsen en bakfietsen trok men er opuit
en schooide om alles wat met gulle hand gegeven werd.
's Avonds moesten de parachutes op het raadhuis ingeleverd
worden en teekende een rode gloed tegen den avondhemel de frontlijn af.
In de volgende nacht trokken de moffen ons dorp in groote
getale binnen. Toen begon de oorlog voor ons werkelijkheid te worden. En na de
blijdschap kwam er droefheid en vrees over ons dorp.
Maandag 18 september 1944.
In den nog donkere morgen komen de duitschers aan beide
zijden van den weg aansluipen, dekking zoekend langs en achter huizen. Zij gaan
langs de spoorlijn naar het Eerde. Omstreeks 6 uur knallen ze er flink op los.
In de omgeving van het station stellen ze geschut op en beginnen ook daarmee te
vuren.
Omstreeks 8 uur komen er twee amerikaansche wagentjes
aanstuiven. Al vurend jagen ze door honderden moffen heen en verjagen bij smid
van Thiel de bedieningsmanschappen van het aldaar opgestelde geschut. Op den
Boschweg eindigt hun doodenrit. Een wagen rijdt zich te pletter; het andere
wordt door de moffen buit gemaakt en door hen als vervoermiddel gebruikt.
Intussen is het station als lazaret ingericht en vele Roode Kruis wagens rijden
door de Hoofdstraat. Er wordt fel gestreden.
In den middag komen weer honderden vliegtuigen met en zonder
zweefvliegtuig over. Door het afweervuur wordt het gezin van van Kasteren gewond
en enkele vliegtuigen worden afgeschoten, o.a. een op de Meijldoorn en een in
den Houterd. De bemanning die in den Houterd neerkwam bleef ongedeerd en kon
onderduiken. In den avond vluchtten velen die in de omgeving van het spoor
woonden uit hun huizen naar de kom van het dorp, waar velen niet wisten dat het
al zo ernstig was.
Ondertusschen gaat de strijd aan de lijn in alle felheid
door en op boerenkarren en bolderwagens worden steeds meer gewonden
binnengebracht en de weinigen die om het station zijn blijven wonen hadden een
nacht vol bloed en vuur.
Dinsdag 19 september 1944.
Het is hetzelfde beeld als gisteren en de velen die het
reeds bevrijde Veghel bezochten, brengen hoopvolle berichten mee over onze op
komst zijnde bevrijding. Op de markt stellen de duitschers zwaar geschut op,
schieten er een paar keer mee in de richting van St.Oedenrode. Door de luchtdruk
heeft de slagerswinkel van H.v/d Heuvel veel geleden.
De Rooische heide en dijk worden nu ontruimd en velen vinden
een toevlucht in de schuilkelders van Jansen de Wit, in het Moederhuis en
Patronaat.
Den heele dag door klinkt het geratel der vuurwapens en er
gaan steeds meer jongelui naar Veghel om er de bevrijdingsfeesten mee te maken
en zich te melden als oorlogschvrijwilliger.
Een verpleegster die uit Eindhoven kwam vertelde dat er
reeds tanks in het Eerde en bij de Damianen staan, doch de vreugde daalt tot nul
door de harde slagen die in richting Eindhoven te horen zijn en velen kruipen 's
avonds in de schuilkelder.
Woensdag 20 september 1944.
De bezoekers die uit Veghel terugkwamen waaronder ook onze
eerste oorlogsvrijwilliger Henk Zijlmans, hadden zich ook in deze zin
uitgelaten, dat het deze dag gebeuren zou.
In den voormiddag was het verdacht rustig, wel klonk er af
en toe verwijdert geknal en men kon het geratel van de tanks over den weg
St.Oedenrode - Veghel horen. Het Spoor was niemandsland geworden en zij die het
waagden om hun woningen te bezoeken, brachten berichten van plundering en
bevuiling mee.
De trek der vliegtuigen en zweevers bleef gedurig aanhouden
en het luchtafweer der duitschers vuurde als bezetene.
De nacht verliep verder rustig.
Donderdag 21 september 1944.
In den morgen waren de patrouilles die in den molen van
Nefkens zich genesteld hadden naar de Heeswijksche brug geweest, maar kwamen
zeer gehavend daar vandaan. Er liepen geruchten dat het Wijbosch reeds was
bevrijd en nog vele andere geruchten gingen gretig van mond tot mond. Verder was
het beeld ongeveer hetzelfde als in de voorafgaande dagen.
Nadat 19 september de eerste granaat was ingeslagen kwamen
er nu steeds meer aansuizen en enkele huizen rondom de kerk toonden reeds wat
oorlog was. De eerste dooden vielen reeds te betreuren en velen brachten den
avond en nacht in de schuilkelder door.
Deze nacht trokken de geallieerden het centrum van ons dorp
binnen en in enkele huizen hadden zij reeds hun kwartieren opgeslagen. Het was
ongelooflijk voor den Boschweg, dat het halve gedeelte van ons dorp bevrijd was
en men wachtte al wakend de op komst zijnde bevrijding af, die nu toch eindelijk
ging komen.
Vrijdag 22 september 1944.
Vandaag mochten wij hen dan allen aanschouwen, de mannen die
vijf dagen geleden hier met hun parachutes waren geland. Het waren rasechte
amerikanen, die in hun doen en laten ons aan de cowboy's in het wilde westen
deden denken. Het fabrieksterrein was vlug van vijanden gezuiverd en de paar
moffen die over bleven, daar werden korte metten mee gemaakt.
Via de hoofdstraat trokken zij toen op naar het marktplein,
waar een hevig gevecht ontstond tusschen de amerikanen en 2 duitschers die zich
achter de kloostermuur verschanst hadden, terwijl een andere duitsche held er
den heldendood wenschte te sterven in zijn stelling die hij in de waterplaats op
het marktveld voor zich had ingericht.
Na de gewone begroeting van wederzijds geweer en
mitrailleurvuur kwam er een vuurpauze, waarin een motorrijder vanuit de richting
Heikant passeerde. De moffen achter de kloostermuur dachten dat de baan nu
veilig was en ze brachten hun mitrailleur op het marktveld in stelling. Een paar
vuurstoten van achter de muur van van Dijk en zij hadden hun leven gegeven voor
Hitler, waarna den andere duitscher na een paar vergeefse pogingen met
handgranaten te hebben gedaan ,door de amerikanen via de openingen in de
onderzijde van zijn bunker op enkele schoten werd getrakteerd en toen al gauw
zijn witte zakdoek uit de waterplaats stak. Na dit roemrijk einde van Schijndels
vesting, rukte de tanks via Pompstraat op naar de Schoot en Putsteeg, waar toen
de gevechten begonnen. Tot 1 uur duurde hier de gevechten en verschillende
boerderijen betaalden hun tol. In onze straat lagen de amerikanen ingegraven bij
v.d. Akker en de dames van Liemd en hielden zoo de straat onder vuur. Vele
krijgsgevangenen werden reeds binnengebracht en om 3 uur was hun aantal reeds
tot ruim 300 man gestegen en werden ondergebracht in de kousenfabriek en door
ondergrondschen bewaakt. Tot aan het postkantoor was Schijndel vrij en de tanks
kwamen ook niet verder dan daar en de mitrailleurpost daar opgesteld, met hulp
van een aanstormend overvalwagentje was oorzaak aan het feit, dat 3 wagens met
officieren hun einde vonden, terwijl de duitsche motorordonnans zich had
overgegeven. Wel kon men later op den dag 3 parachutisten op hun gemak tot aan
den Boschweg zien wandelen. Doch men voelde zich nog niet bevrijd en er hing ook
geen enkele vlag uit. Velen kwamen op den middag naar de fabriek gewandeld, om
het binnentrekken van de gevangenen te zien. Op de trappen van het filterhuis
van de fabriek had men de officieren laten plaats nemen en het drukke vertier
van gevangenen en bewakers trok groote belangstelling. Motoren waren in grote
getale weer op komen duiken en onze marechaussees waren weer met hun koorden en
kwasten aan hun sabels te zien. Ondanks de ravage aan het postkantoor en het
lugubere gezicht van het doode paard bij Joh. van Roessel was de rust in
Schijndel weergekeerd, maar echter niet bij de amerikanen. Zij begonnen op spoed
aan te dringen met nummering der gevangenen, en tegen 7 uur vertrokken deze
onder bewaking in richting Veghel. Langzaam verlieten ook de amerikanen ons
bevrijde dorp, met achterlating van een patronaat vol duitsche gewonden,
waarover een vrijgelaten duitsche dokter stond. Om 8 uur was Schijndel
niemandsland, waar spoedig weer de eerste duitschers binnentrokken.
De nacht van 22 op 23 september was rustig, want onze ooren
waren aan beschietingen al gewend.
De duitsche voorhoedes trokken Schijndel binnen en de inslag
van een enkele granaat met het gerammel der gammele duitsche voertuigen vormde
de proloog van de granaatweken die toen begonnen.
Zaterdag 23 september 1944.
Den geheelen dag trokken de duitschers door de Hoofdstraat
in de richting van het front. Zij zouden volgens eigen gezegde, eens gauw even
die corridor gaan afgrendelen, die liep van Belgie over Eindhoven - St.Oedenrode
- Veghel - naar Nijmegen. In de oogen van de Schijndelaren, leek hun aantal
daarvoor wel voldoende en het gelaat van deze, meerendeels jeudige Hitler
krijgers voorspelde niet veel goeds.
De gehele voor en namiddag blijft het trekken en het geluid
der inslaande granaten wordt overstemd door bolderwagens, slagkarren en bandloze
rijwielen, waarmee een machtig duitsch leger van S.S. en Fallschirmjäger ons
dorp bezet. Jammer genoeg brachten ze ook een overvloed aan artillerie,
luchtafweer en anti tankgeschut mee welke wapens zich reeds spoedig lieten
hooren. Natuurlijk antwoorden het geallieerde geschut prompt en het geloop in en
uit den schuilkelder werd dan ook een gedurig bezigheid.
Zondag 24 september 1944.
De eerste oorlogszondag verliep heel anders dan men verwacht
had. Van kerkbezoek kon in de oude parochie niets komen en in het Wijbosch was
de situatie, gezien de nabijheid van het front nog ernstiger.
's Middags kwamen er weer veel vliegtuigen over, waarop de
duitschers een hevig vuur openden. Dien middag sloeg een stuk scherf van een
luchtafweergranaat een gat in het dak van ons schuurtje.
Practisch dag en nacht leefde men in de schuilkelders en zoo
hadden de roofzuchtige S.S. en fallschirmjäger vrijspel, om hun roofzucht bot
te vieren. Zij maakten hiervan druk gebruik, stalen en vernielden met een ijver
een betere zaak waardig.
Het vuren hield den geheelen dag aan en werd in den nacht
nog heviger. Om ongeveer 12 uur 's nachts vluchtte moeder -
Lamber
-
Zus - Tiny met onze Jan bij Jan Westerlaken in de kelder en vader bleef in huis
achter.
Maandag 25 september 1944.
Het granaatvuur hield den geheelen dag aan en hoewel het
meerdendeel der explosies van het afvuren der duitsche granaten afkomstig was,
waren deze geluiden zoo angstig dat zij ieder normaal leven onmogelijk maakte.
De vliegtuigen der geallieerden die geregeld boven ons dorp hingen en voor
waarneming en voor regeling van het geschutsvuur, werden op een hagel van
afweervuur vergast en vooral in den avond leverde dit een fantastisch schouwspel
op. In de loop van den middag trokken weer vele groote vliegtuigen over
Schijndel heen. Ons Zus stond achter in de tuin en zwaaide naar hen. Opeens werd
ze vanaf den molen door de duitschers beschoten. Zij vluchtte op handen en
voeten in huis en kwam er goed af. 's Avonds tegen 8 uur gingen allen weer
tegenover in de kelder. De nacht was vol vuur van explosies.
Dinsdag 26 september 1944.
In de voormiddag brandde het vreeselijk in de
Heikantstraat,
doordat een wagen met benzinevaten getroffen was en de rookontwikkeling die
daardoor ontstond, deed het voorkomen of den heele Heikant in vlammen zou
opgaan. De duitschers brachten steeds meer geschut aan en begonnen het ook in de
kom van het dorp op te stellen, waarop de geallieerde vliegtuigen natuurlijk
reageerden.
's Middags werd het vuren zo hevig dat wij niet in huis
durfden te blijven en de kelder weer in moesten bij v/d Westerlaken en ik even
later ook volgde.
Het was precies op tijd dat wij uit huis waren, want even
later sloegen drie granaten in, die schuur en keuken tamelijk verwoestten. Waren
wij in huis geweest, het had misschien niemand van ons overleefd.
Ons varken was dood, 3 konijnen hadden hun pooten gebroken
en den bok was aan zijn hals gewond. Alle ruiten waren stuk en de kamers lagen
vol glas en puin en alles lag door elkaar. Tegen 4 uur moest alles evacueren tot
aan van Lieshout van de fabriek af omdat volgens de duitsche officieren er een
officier door burgers was doodgeschoten. Ook de kelders in de fabriek moesten
ontruimd worden. Het getal der evacuees was nu zoo gestegen dat de kelders in
het moederhuis en bij Geerkens overbevolkt werden en velen naar andere dorpen
vluchtten.
Om circa 6.45 uur cirkelden enkele typhoons boven ons dorp,
plotseling doken ze omlaag en Schijndel kreeg zijn eerste bombardement vanuit de
lucht en met een alles en allen doordringende felheid vuurden de stalen vogels
hun raketten af. Het geheel duurde slecht enkele minuten, doch uitgezonderd de
verliezen der duitschers had Schijndel 18 doden te betreuren en kermden veel
gewonden om hulp. Onder de dooden waren dr. Cals en het heele gezin Coppens.
De kousenfabriek en omliggende huizen stonden in lichten
laai. In den avond van deze bloedige dag kleurde de hemel zich rood van het
vuur.
Het was een fantastisch gezicht de twee trotsche
schoorstenen te zien staan in de fel oplaaiende vlammen in den avond en nacht
een schouwspel dat vele helpers en helpsters der gewonden die overal verspreid
lagen niet licht zullen vergeten.
De beschieting van weerskanten duurde den gehelen nacht door
en om 2 uur in den nacht vluchtte ook ik in de kelder bij J.v/d Westerlaken.
Woensdag 27 september 1944.
In den morgen vluchtten velen uit ons dorp naar veiliger
plaatsen. Hier onder was ook een gedeelte van de staf der hier gelegerde
duitsche militairen. De achtergebleven troepen hielden zich toen bezig met
plunderen en andere wandaden, tusschen de gevechten door, terwijl de
achtergebleven Schijndelaren hun kelderleven leefden. Het kelderleven was nu de
gewoonste zaak van de wereld geworden en al waren de kelders ook nog zo klein en
wankel van dak, toch boden zij rust en zekerheid aan de dikwijls opeen gehoopte
menschen die er een schuilplaats in hadden.
Naast de bakkers die nog konden en durfden werken, was de
centrale keuken bij Geerkens het trefpunt voor velen. Ook was daar de
distributie en nood gemeenteadministratie gevestigd.
In het Wijbosch ging het er vreeslijk aan toe, daar was het
front in de waren zin des woords en het klooster moest een zwaar granaatvuur
doorstaan en velen vluchten op deze dag uit hun kerkdorp, vooral rond de zwaar
beschadigde toren. Het was een overhaaste vlucht en op alles wat rijbaar was,
werden zieken en oude van dagen vervoerd en naar het moederhuis of St. Lidwina
gesticht gebracht.
Donderdag 28 september 1944.
In den avond om plm. 23 uur brandde het gemeentehuis en viel
dit gebouw, dat meer dan 150 jaar het middelpunt van Schijndel was geweest, met
zijn kostbaar archief aan de vlammen ten prooi, In de loop van den dag kwam ook
een order van de duitsche commandant dat de kelder bij Geerkens moest worden
ontruimd, want er zat een spionne in, doch alles liep goed af en ook de spionne
mocht blijven. De dagen en nachten trokken in langzaam tempo voorbij en de
weinigen die zich op straat waagden zagen Schijndel steeds meer verpulveren en
de lijst van slachtoffers stijgen. In den vroege morgen was het achteraf bij de
boeren een drukte om zich het nodige aan te schaffen, in hoofdzaak melk. Maar
ook de duitschers wisten de weg en meermalen gebeurde het dat zij alle vleesch
reeds hadden "beschlagnamt" en ook voor melk was hun animo zeer groot.
De dag was tamelijk rustig, echter de nacht niet, er werd
nogal vreselijk geschoten.
Zaterdag 30 september 1944.
Het was een rustige dag na een onrustige nacht. Toch vielen
er slachtoffers te betreuren. Bij het begraven van dooden werden Rooijakkers -
Toelen en Kerkhof getroffen in hun werk. Ik verleende hun daar eerste hulp en
bracht hen mee naar het St.Lidwina waar ik toen dr. van Oppenraaij moest
meehelpen. Onder het vervoer kwam er een groep engelsche jagers over en namen
doelen onder vuur. Wij moesten nog een uur in 't ziekenhuis wachten of er nog
gewonden kwamen, maar gelukkig was deze aanval goed afgeloopen.
Zondag 1 october 1944.
De geheele Hoofdstraat moest ontruimd worden tot aan de
Spar. De St.Servatiusstraat werd reeds op 29 sept. ontruimd. De stoet van
vluchtende gezinnen werd zoo groot, dat allen niet meer in eigen gemeente konden
worden opgenomen. Het was een treurige uittocht van onze mede burgers.
De kelders bij
Geerkens, Moederhuis, Swinkels, Boterfabriek
en St.Lidwina waren overvol. In het Moederhuis b.v. waren 950 personen
gehuisvest in de kelders, terwijl bij Geerkens 382 personen hun toevlucht hadden
gevonden. Ook de particuliere kelders waren overbevolkt.
Bij Jan v/d Westerlaken waar wij onze toevlucht hadden
gevonden, waren we met 34 personen. Maar ieder was blij met een klein plaatsje.
In den nacht van 1 op 2 october werd de kom van ons dorp
hevig beschoten en groote branden teisterden de woonhuizen. In den avond van 2
october was er een druk gestamp van soldatenlaarzen in de Bunderstraat en velen
dachten dat het Herrenvolk Schijndel ging verlaten, maar op 3 october stond het
vlaggetje nog steeds voor Huize de Borne en verkondigde zoo dat Oberst von der
Heiden met zijn kornuiten Schijndel nog steeds "beschermden"
Op 4 october moest de kelder van Geerkens ontruimd worden
omdat er heren duitsche officieren er een conferentie wilden houden. Het was
ongeveer 3 uur dat dit plaats vond en juist in die tijd was het granaatvuur
hevig. Naderhand mochten de menschen er weer in en ieder voelde dat dood en
verderf in de nabijheid waren.
We leefden als holbewoners en van de vervulling onzer
kerkelijke plichten kon rond de kom van Schijndel niets meer komen. Men wist in
den regel ook niet wat voor een dag het was. Wel werd er in verschillende groote
kelders H.missen gelezen. Iedere kelder was eens aan de beurt. Op den Boschweg
konden de bewoners nog geregeld ter kerke gaan, maar later ging ook dat niet
meer en werd de H.mis opgedragen in de kapel van het St.Lidwinagesticht.
Doch de velen die het waagden om naar
St.Michielsgestel, den
Dungen of den Bosch te gaan om te winkelen, konden hun oogen niet geloven dat
daar het leven zijn gewonen gang ging en de Zondag werd gevierd, ver van alle
oorlogsrumoer en oorlogsleed.
De eigenlijke kom van ons dorp d.w.z. vanaf de Spar, was
echter een eenzaam oord geworden, waarvoor een duitsche soldaat de toegang
afsloot. Wel werd op den middag wel eens verlof verleend aan de bewoners om te
gaan kijken en wat van hun bezittingen te halen, doch het weinige dat zij
aantroffen en de desolate toestand van wat eens hun woning was, verhoogden in
geenen deele de animo hiervoor.
De granaten kwamen af en aan, er scheen geen einde aan te
komen
Donderdag 5 october 1944.
Vandaag vertrok overste von der Heiden met zijn kornuiten
uit ons dorp en hoewel daags tevoren in Schijndel de feldgendarmerie was
gearriveerd wat het plunderen wel iets deed verminderen kreeg von der Heide een
groot kruis na. De oude garde van jungwirt trad aan, maar de granatenval
verminderde er niet om.
Zaterdag 7 october 1944.
Wij werden 's morgens om zes uur plotseling door onze
politie gewekt, die ons de boodschap van de moffen bracht, dat alle jongens en
mannen aan het front stellingen moesten komen graven. Ze moesten er honderd
hebben. Bij weigering werd het dubbele aantal gevorderd en werden uit iedere
schuilkelder mensen dood geschoten. Onze
Lamber
trof
ook het lot en ofschoon allen het er goed afbrachten, hadden zij toch veel
schrik moeten doorstaan daar er af en toe flink werd geschoten.
Dien dag kwam het bevel van de duitschers dat ook onze
straat ontruimd moest worden, wat gelukkig voor 12 uur weer werd ingetrokken. 's
Middag kreeg ik nog een kwade boodschap te doen, waarom pastoor van Dijk mij
verzocht. Omstreeks 2 uur kwamen de granaten weer in ons dorp gevallen, toen ik
juist in de Hoofdstraat was. Daarbij werd Huub v/d Eerde in huis door scherven
aan het hoofd gewond en was haast op slag dood. De pastoor die direct ter
plaatse was, verzocht mij toen om het bij Drika v/d Eerde te gaan zeggen, omdat
het vlak bij ons was en hij zelf geheel ontdaan was. Ik vond die boodschap ook
verschrikkelijk, temeer omdat ik daar weg ging zij hem reeds naar het kerkhof
brachten.
Het vleesch halen bij de boeren was afgelopen en vanuit de
kelder Geerkens haalde men de getroffen beesten op, of slachtte ze in de wei.
Het was hierbij dat S.van Noort op 6 oct zijn dappere jonge leven liet. De dagen
verliepen in eendere regelmaat. 's Morgens om 6 uur melk halen en 's middags
eeten en brood en voor de rest van den dag in de schuilkelder of minstens in de
directe omgeving.
Maandag 9
october. 1944.
Toen vertrok de groep Jungwirt per melkwagen en een nieuwe
groep duitschers, wier eenheid de schone naam van "Singvogel" droeg,
betrokken het hoofdkwartier op huize de Borne.
Als men het geloven wilde kwamen er 's nachts groepjes
amerikanen of engelschen in de kom van het dorp. Doch juiste berichten kwamen
daarover niet binnen.
Dat het plunderen niet achter de rug was, bewees de groep
van 31 stuks vee, die op 11 october door de Hoofdstraat trok en waarvoor de
veedrijvers uit de kelder van Geerkens waren gevorderd. Doch dit was niet het
eerste, want weken van te voren waren er door de fallschirmjäger reeds kudden
koeien en paarden meegevoerd en varkens en kalveren werden in groote mate op
karren versjouwd. Het werd dan ook
een zeldzaamheid, om bij de dagelijksche tocht om melk nog 'n paard of koe in de
weide te zien.
Door de overbevolking der kelders moest men overgaan tot het
kaal knippen des hoofden van de kinderen, daar zij niet meer zuiver waren te
houden. Ook het Lidwina gesticht raakte aardig vol en het ziekenhuis plus de
gangen waren geheel gevuld met zieken en gewonden. Onder het gebouw verbleven
nog 512 personen plus c.a. 100 kinderen.
Steeds kwamen er ontruimingsbevelen. Op 8 october moest den
Houterd, Elschotscheweg en Hermalen worden ontruimd en 15 october volgde
Vossenberg en Lieseind. Velen gaven daaraan geen gehoor en waagden het erop om
te blijven zitten. Met het verslechteren van het weer en het korten des dagen
verergerde ook de nood. Melk werd steeds schaarser, het brood werd slecht van
kwaliteit en de voorraad raakte op. Ieder verlangde naar het einde, maar niets
wees daarop.
Daar wij in ons ondergrondsch leven de tel kwijt raakten,
wist men ten laatste van dag of datum niets meer af. Bij alle angst en ellende
troffen wij het buitengewoon met het weer. Het was bijna steeds prachtig
najaarsweer met veel zon en weinig of geen regen. Het getal der vluchtelingen
was steeds grooter geworden en naar schatting waren er in St.M.Gestel 2200 en in
den Dungen 1500 Schijndelaren onder gebracht, terwijl er nog velen in andere
gemeentes vertoefden. Het contact vanuit onze gemeente met hen wordt steeds
onderhouden en per fiets gingen er dagelijks koeriers heen en weer, natuurlijk
op harde banden, om gevluchten en geblevenen op de hoogte te houden. Het waren
geen goede berichten die zij uit Schijndel konden brengen, want onverpoosd joeg
de oorlogsstorm verder over ons dorp en al zagen wij dan steeds minder soldaten,
hun wapens spraken des te meer. Behalve de bij het gewone leven hoorende
granaten was er nog een vernietigingsmiddel bijgekomen,
n.l. de "shrapnels" welke in de lucht uit elkaar
sprongen en met hun wijd en zijd vliegende scherven nog meer stukken probeerden
te maken. In den avond van 17 october brandde het klooster in het Wijbosch en
kreeg de reeds zoo zwaar getroffen toren, voor de zoveelste maal de volle laag.
De geallieerden schenen ook fosforgranaten te gebruiken, want op 18 october was
boven de fabriek van Bolsius, die toen doelwit was, de lucht groen gekleurd. In
eendere regelmaat volgde de dagen, dan was het hier dat de granaten insloegen en
dan was het daar waar vernieling ontstond, doch ongelooflijk laag waren de
verliezen aan menschenlevens en meestal waren de slachtoffers zij die op straat
waren. Maar men kon niet steeds binnenblijven, want eten, melk en brood moest er
gehaald worden. In de keuken bij Geerkens en door de bakkers werd onder
levensgevaar gewerkt. Met eten en drinken werd het steeds minder en slechter.
Het broodrantsoen bedroeg ten laatste 1 brood voor 6 personen per dag.
In den nacht van 20 op 21 october waren zware ontploffingen
te horen in de richting Boxtel en het gerucht dat dit bruggen waren gaf ons
nieuwe moed. Deze werd nog vergroot door een duitsche uittocht, al was het
jammer, dat de heren ook zoo wat alle fornuiskachels meenamen.
Zouden "ze" doorstoten was veler vraag die deze
deze avond werd gesteld. Wel was het een vreselijke nacht die van 21 op 22
october, van 2.30 tot 5 uur was er onophoudelijk zwaar kanongebulder, maar de
morgen van deze octoberzondag verschilde in niet van andere dagen, alleen was er
zoo'n vreeslijk granaatvuur, dat velen den dagelijksche tocht van melk halen,
niet aandurfden. Den gehelen dag door bleef het vuren aanhouden en de
mitrailleurs en geweren kon men nu van dichtbij horen. In de omgeving van
Bolsius was alles door fosfor weer groen gekleurd. Door de zware ontploffingen
hoorde men overal glasgerinkel en het vallen van pannen van de huizen waar de
luchtdruk nog wat te verwoesten vond.
Niemand waagde zich dan ook buiten als het niet strikt
noodzakelijk was. Toen wij eten 's middags moesten gaan halen, hadden wij daar 2
1/2 uur voor nodig voor een afstand die men anders in 10 minuten makkelijk heen
en weer kon afleggen. Er kwamen zoveel granaten en shrapnels dat men zeker om de
10 meter dekking moest zoeken. Het dreunde en schudde den gehelen dag en menig
rozenhoedje werd er gebeden. De radio die wij iederen avond beluisterde gaf om
8.15 uur het bericht door, dat het 2e britse leger in de sector Schijndel een
nieuw offensief had ingezet.
Met angst en hopen ging men den nacht in, wat of deze nacht
of morgen zou brengen.
22
october, maandag 1944.
Het was voor de meesten maar een kortstondige slaap geweest
in den avond van 22 oct. want reeds om 10 min. voor 12 begon het gebulder. Het
afschieten der granaten was duidelijk te horen en de inslagen die kort daarop
volgden hadden een regelmaat of alle kanonnen der wereld het nu op Schijndel
gemunt hadden. Zonder een oogenblik onderbreking, duurde deze ontzettende
verschrikking, tot om ongeveer 1 uur de storm luwde en men in kelders en
schuilplaatsen weer wat verlicht adem haalde, ofschoon er nog hard geschoten
werd. Toen ik buiten kwam zag men een lichtgroene mist, die alles aan het oog
onttrok en daarboven een lucht, welke helder was verlicht door sterke
zoeklichten, waar de granaten doorheen huilden. Zoo sukkelde men de nacht door,
toen tegen zes uur weer een geweldig trommelvuur door de geallieerde artillerie
werd ingezet. Het leek wel of de wereld verging zoo dreunde en kraakte het en
menig gebed werd uitgesproken.
Veel wat eerst nog tamelijk intact was of gespaard werd nu
onder die mokerslagen verpulverd.
Vooral het centrum van het dorp moest het ontgelden en naast
het moederhuis was het ook onze kerk die het in deze vroege morgen moest
ontgelden en veel schade opliep. Twee uur lang duurde deze ontzetting, maar toen
hoorde de van angst en verschrikking haast verdoofde Schijndelaren andere
geluiden.
Het was inmiddels 8 uur geworden en ik waagde het de
Hoofdstraat in te gaan. Een prop schoot in mijn keel. Aan de villa zag ik de
eerste Tommies. Tanks en jeeps reden al voorbij en ik rookte mijn eerste
engelsche sigaret en als overtuigend bewijs bracht ik er drie mee naar de
kelder.
23 october 1944, ongetwijfeld is door iedere Schijndelaar
een zucht van verlossing geslaakt. Na weken van inspanning, ontspande zich menig
gemoed in een lach en traan.
Vlug werden de kinderen wat aangekleed en met z'n allen
gingen wij naar den hoek bij smid van Thiel. Daar trok langs ons heen de bekende
Higland Division en de Desert Rat division.
Wij juichten en dansten van vreugde. Lange rijen en aan het
gejuich kwam geen einde als de bevrijders met hun vreemd aandoende hoofdknik ons
groeten. Schijndel was dus bevrijd, bevrijd van duitsche bezetting, van roof en
tyrannie, maar bovenal van de hevige beschietingen, die vooral in de laatste
nacht een zoo hevig karakter had aangenomen dat velen het besluit hadden genomen
om Schijndel te verlaten. In den voormiddag gingen velen eens kijken hoe of het
er in het dorp eruit zag en waarlijk Victor Thompson, de verslaggever die
Schijndel op de bevrijdingsdag bezocht overdreef niets in zijn artikel in de
Daily Herald van 24-1-44.
Het begon den laatste nacht te midder nacht onder een wal
van artillerievuur. Toen we Schijndel binnen jeepten hadden we de gelegenheid te
zien, welk een kracht er stak in de steun van onze artillerie. Geen enkel huis
is onbeschadigd. De kerktoren is kapot geschoten, de kousenfabriek heeft het er
niet beter afgebracht en heel wat kleinere huizen zijn eenvoudigweg losse
brokken ruwe steen. Niettegenstaande de vuurproef van dit bombardement, dat de
hele nacht duurde tot in de morgen, toen onze eerste patrouilles, zich vechtend
een weg baanden naar binnen, heeft het volk ons hier begroet met "V"
teekens en toejuichingen. Dit was een jaar geleden toen de natuur even als nu
stierf over ons dorp dat toen verwoest en vervuild daar lag als een oord van
verschrikking, doch nu herrijst en geneest van de wonden, die de granaatweken
brachten.
Woensdag 25 october 1944.
Twee dagen na de bevrijding trokken wij weer in ons eigen
huis, dat we intusschen weer wat bewoonbaar hadden gemaakt. 's Avonds hadden wij
de eerste engelsche soldaten op visite, vier in getal.
Het waren aardige jongens en wij hebben er menig gezellige
avond mee doorgebracht en na lange tijd dronken wij weer echte thee die zij
meebrachten.
Wel waren we van de granaten af, maar het levensonderhoud
werd steeds slechter. Vleesch en boter was er in het geheel niet meer te
krijgen, het brood was heel slecht en het rantsoen was klein. Het eten van de
centrale keuken was ongenietbaar en stook was er zoo goed als niets.
Al het vervoer stond in dienst van de oorlogsvoering, want
de moffen zaten nog steeds boven de Maas. Daarom was dan ook een der eerste
werkzaamheden die de geallieerden uitvoerden, het aanleggen van een vliegveld in
Wijbosch en Eerde. Dat bracht een heel vertier in de lucht. Geregeld waren daar
ongeveer 120 jagers, welke geregeld met troepjes opstegen om vijandelijke doelen
aan te vallen.
Toen ongeveer 6 weken na de bevrijding alle verkeer wat
beter geregeld was kregen we voor het eerst een beetje boter toegewezen en
andere levensmiddelen volgden langzaam.
Werd eerst voor de bevrijding in de afgelopen jaren de rust
verstoord door luchtgevechten en het zwaar ronken van grote troepen zware
bommenwerpers, nu werden wij dikwijls opgeschrikt door V1 en V2 welke door de
duitschers hier in ons land, dat door hen nog bezet was, in grote getallen
werden afgeschoten. Ook hier kwamen er veel over. Drie zijn er hier gevallen. De
eerste viel in de Eerdse bergen, de tweede op de Rooijschedijk en den derde op
de Steeg, gelukkig alle drie zonder ongelukken.
Plaatsen uit de omgeving van ons dorp kwamen er slechter af.
Dooden en gewonden vielen daar te betreuren. Boxtel - den Dungen - den Bosch en
Vlijmen dat voor 1/4 werd verwoest en waar hele gezinnen werden gedood.
Het was dan ook een angstig gehoor als een V1 aan kwam
gevlogen, want als de motor stil stond, kwam hij omlaag en vernielde alles in
zijn omgeving. Menigeen prevelde dan ook het schietgebedje van "Onze lieve
Vrouwke, geeft hem nog een douwke".
Het jaar naderde zijn einde en zoetjes aan werd het met de
voedselvoorziening beter. Met oudejaarsavond hadden we zelfs het een en ander
kunnen bakken, zoo dat we dat slechte jaar toch nog goed konden afsluiten.
Iets na nieuwjaar maakten we kennis met Ted Marshall. Het
was een reuze gezellige jongen en wij hebben er menig avond aan de stoof mee
doorgebracht. Met onze Jan had hij veel op en we mochten hem allen graag.
Begin januari werd ik weer ziek en heb toen bijna een half
jaar in bed gelegen. Op het laatst draaide het toch nog op een operatie uit
waarvoor ik in het ziekenhuis ST.Joan de Deo werd opgenomen.
Capitulatie.
Op 24 april '45 werd ik bij St Joan de Deo opgenomen voor
een operatie. Juist in die dagen was het duidelijk op te merken dat er gauw iets
bijzonders ging gebeuren. De berichten die over de radio kwamen werden steeds
spannender.
In de westelijke provincies heerste groote hongersnood en
het broodrantsoen was daar al teruggebracht op 400 gram per week. Aardappelen
waren er in het geheel niet te krijgen. Er stierven daar dan ook honderden
menschen per dag. Toen de nood het hoogst gestegen was, kwam er redding. De
duitschers stemden er in toe, dat zware engelsche vliegtuigen op bepaalde
plaatsen voedsel af mochten werpen. En vanuit Arnhem mochten groote colonnes
vrachtauto's levensmiddelen aanvoeren. Dit alles wees erop dat de kracht van de
duitsche legers gebroken was. De geallieerden hadden Berlijn ook al geheel
ingesloten en in de voorsteden daarvan woedden hevige gevechten. Alles wees erop
dat het nog maar een kwestie van dagen was, dat het hele moffenregiem zou
instorten. Wij leefden allen in de grootste spanning en in het ziekenhuis werden
de berichten trouw gevolgd.
Vrijdagavond om ongeveer 9 uur kwam het groote bericht.
Radio Herrijzend Nederland kondigde de capitulatie aan van alle duitsche troepen
in Nederland en Noord Duitsland. Zij werd van kracht op Zaterdag 5 mei 8 uur
v.m.
Wij allen juichten op de ziekenzaal en zongen uit volle
borst allen het Wilhelmus mee. Tot 's morgens 4 uur hoorden wij de menschen
zingend met muziek over de straten trekken. Hier in Schijndel is toen 8 dagen
gedanst en gefeest. Zaterdags 's-morgens was mijn vrouw al vroeg bij de broeders
om mij te feliciteren. De laatste 2 dagen van het feest ben ik thuis gekomen en
kon er zoo toch ook nog iets van meemaken.
Aan de ellende van den oorlog was een einde gekomen en wij
allen leven nu op betere tijden
Door
Joh van Rooij.
vroeger
wonende in de Toon Bolsiusstraat nr 56.
 |